13 2011
Meedenkbijeenkomst:: 'Hoe zorgen we voor meer participanten in het Odensehuis?'
Op 1 april jl. hield het Odensehuis een bijeenkomst met als thema: 'Hoe zorgen we ervoor dat er meer mensen met dementie, hun vrienden, familie en mantelzorgers gebruik gaan maken van het Odensehuis?'. In totaal waren 20 mensen uitgenodigd. Uiteindelijk gaven vijftien mensen gehoor aan de oproep.
Na een lenteachtige lunch, bereid door de participanten, toog men in groepjes uiteen om met elkaar te brainstormen. Daarbij werd gebruik gemaakt van de methode ‘wereldcafé’; een gedeeltelijk gestructureerde manier van creatief met elkaar samen discussiëren rond een bepaalde vraagstelling. Door het rouleren van de groepen rond de drie tafels, buigt iedereen zich over dezelfde vraag en vult elkaar als het ware aan.
Om welke vragen ging het en wat waren de antwoorden?
Wat kunnen de redenen zijn voor mensen met geheugenproblemen om niet naar het Odensehuis te komen?
Onbekendheid met het Odensehuis; nog lang niet iedereen in Zuid weet van het bestaan. En als men er van heeft gehoord, dan is nog onbekend waar de naam Odensehuis voor staat. ’Waar is dat dan?, ‘Ik kan het niet vinden.’ of ‘Ik ken Odense niet, wie is dat dan?’
Andere redenen zijn vaak gebaseerd op verkeerde voorstellingen. ‘Ik ben geen groepsmens.’, ‘Het is te vroeg voor mij.’ en ‘ik hou niet van vreemden.’ ‘Of ik ben geen spelletjesmens.’ Alsof het verplicht is om in het Odensehuis aan groepsactiviteiten mee te doen, met anderen om te gaan of spelletjes te spelen. Deze (negatieve) beeldvorming rond dagbesteding wordt vaak geplakt op het Odensehuis.
De suggestie was om daarom vooral naar buiten de laagdrempeligheid goed uit te dragen evenals het ‘Niets Moet, Alles Mag’ en het ‘Eigen Regie principe’. Ook het gebrek aan informatie over wie er welkom zijn speelt mee. Niet duidelijk is dat je als partner niet per se altijd mee hoeft komen.
Ontkenning speelt ook een belangrijke rol. ‘Met mij is niets aan de hand.’ of ‘’Ik heb (nooit) iemand nodig.’ en ‘Ik heb geen tijd het Odensehuis.’ Toegeven dat je geheugenproblemen hebt, is moeilijk. Wat daarin ook meespeelt, is het stigma. Eén van de participanten met dementie verwoordde dat heel duidelijk: ‘Ik wilde er niet naar toe, wilde niet bij de groep horen die dementie heeft.’ En andere veel gehoorde uitspraak was: ‘Ik heb Parkinson en dat is dat, dementie komt niet voor in mijn familie.’ Men is bang voor het vooroordeel wat leeft over mensen met dementie en heeft wantrouwen naar anderen. Ook angst voor het opgegeven van de zelfstandigheid en eigen autonomie speelt een rol en de angst voor het onbekende. Daar staat de geborgenheid en veiligheid van het bekende thuis tegenover.
De ziekte zelf is een andere belemmering. De achterdocht en het ontkennen dat je vergeet omdat je dat zelf veel minder merkt of je vergeet gewoon om er naar toe te gaan als je niet wordt gestimuleerd of gemotiveerd.
Ook vele praktische redenen werden genoemd. ‘Wie houdt mijn partner gezelschap, zorgt en voor mijn huisdier, en hoe kom ik er? Ook de fysieke beperkingen kunnen een belemmering zijn om op pad te gaan evenals de weersomstandigdheden.
De omgeving als motivator om naar het Odensehuis te gaan is belangrijk, maar ook partners en familie ontkennen soms te ziekte, schamen zich of proberen de ziekte te bagatelliseren. Anderen zoeken alle heil bij de artsen en professionals of denken niet dat ze zelf de eigen regie kunnen houden ook al heb je ondersteuning nodig. Ook bij hen speelt angst voor onbegrip en voor het vragen van hulp.Verwijzers zijn belangrijk voor de motivatie, maar niet alle verwijzers noemen het Odensehuis of zijn ermee bekend.

Met veel dank aan: Simona en Annet, Henny, Bert, Gerda, Anneke, Ans, Myra, Tiny, Gon, Peter, Angela, Betty, Karine, Marion en alle aanwezige participanten van het Odensehuis.
|